Saint Thibaut

Vroeger was er in de vesting van Montaigu, een kapel die aan Saint-Thibaut werd gewijd. Na de vernieling van de kapel in 1413, verdween de verering voor de Heilige Thibaut niet.

In 1600, ter gelegenheid van een belangrijk wonder, wordt er een houten kruis op de helling van "de berg" geplaatst.

In 1608, komt er een groter kruis op de top van de berg en in een nis wordt een klein houten standbeeld geplaatst dat de heilige St.-Thibaut met een zwart kluizenaarskostuum weergeeft. Dit beeld wordt in 1968 gestolen.

Charles Jamotte, die in 1636 tot het pastoorambt van Marcourt wordt bevorderd, herneemt het project van de Graaf van Loewenstein, Jean Théodore en echtgenote Josinne van Marck. Om aan de vraag van de inwoners te voldoen, de oprichting van een nieuwe kapel, organiseert hij een inzameling om de arbeiders te betalen.
De materialen worden door de inwoners van het graafschap geleverd: het hout door Marcourt, de kalk door Hotton, de leien door Dochamps. De kapel zal in 1639 op een hoek van de omloop van vesting gebouwd worden.

Het afgelegen gebouw wordt kort daarna opgeheven en met tussenpozen tot 1968 bewoond door kluizenaars. De laatste was Broeder Gabriel Lardinois.

De kapel wordt op 27 september 1660 gewijd. Vanaf dit moment neemt de devotie voor Saint-Thibaut toe, De pelgrims komen in grote getallen naar de berg ter gelegenheid van de bedevaarten: 25 maart (het feest van de annunciatie), 3 mei (de dag van het Heilig Kruis) en op 1 juli het feest van Saint-Thibaut.

Momenteel worden 2 bedevaarten gehandhaafd, de eerste zaterdag van mei en juli.

De wonderbaarlijke bron
Onderaan de Kapel, ontspringt een bron die vroeger door de pelgrims werd bezocht. Men baadde er zieke
mensen of men dronk er doodeenvoudig het zogenaamde "Wonderbaarlijke water". Er was de gewoonte van kleine kruisjes te plaatsen aan de stam van de oude es.
De bron droogt nooit op.
"Heilig thibaut, die beu bin, en magne nin mau".

Wie was Saint-Thibaut?

Graaf van Champagne, geboren in 1033 in Provins en overleden in Vicence, ItaliŽ. Hij verzaakt aan zijn prinselijke bestaan en beleeft samen met zijn vriend Gauthier het leven als pelgrim, steenkoolhandelaar en kluizenaar. 2 jaar voor zijn dood, wordt hij tot priester gewijd in de orde van Camaldules. Zijn graad van heiligheid is vermaard tot in ItaliŽ en Frankrijk.

In 1075 wordt hij heilig verklaard en zijn naamfeest is op 1 juli.